zondag 7 juni 2026

De Onbekende in de Regen


De regen sloeg tegen de ramen van de trein terwijl Emma naar buiten staarde. Het was laat, veel later dan gepland. Door een storing had de trein uren vertraging opgelopen en inmiddels was bijna iedereen uitgestapt.

Ze zuchtte. Nog twintig minuten en dan zou ze eindelijk thuis zijn.

Plotseling stopte de trein abrupt op een verlaten station. De lichten flikkerden even.

"Vanwege een technisch probleem moeten alle passagiers uitstappen," klonk de stem van de conducteur.

Emma keek verbaasd om zich heen. Dit station kende ze niet eens.

Buiten waaide een koude wind. Slechts een paar mensen stonden op het perron. Terwijl ze haar jas dichter om zich heen trok, merkte ze een man op die iets verderop stond.

Lang, donker haar, een zwarte jas.

Hij keek recht naar haar.

Snel keek Emma weg.

Toen ze weer opkeek, stond hij dichterbij.

"Volgens mij rijden er voorlopig geen treinen meer," zei hij.

Zijn stem was warm en kalm.

"Dat had ik ook al door," antwoordde Emma met een nerveuze glimlach.

"Ik ben Lucas."

"Emma."

Hij glimlachte.

Op dat moment knalde ergens in de verte de donder door de lucht.

"Perfect weer om midden in de nacht gestrand te zijn."

Emma moest lachen.

Voor het eerst die avond voelde ze zich iets minder alleen.


---

Een uur later zaten ze samen in een klein café tegenover het station.

De eigenaar had medelijden gekregen met de gestrande reizigers.

Emma wist niet waarom, maar praten met Lucas voelde verrassend gemakkelijk.

Alsof ze hem al jaren kende.

Toch was er iets vreemds.

Elke keer als ze vroeg waar hij vandaan kwam of waar hij naartoe reisde, veranderde hij subtiel van onderwerp.

"Je bent geheimzinnig," merkte ze op.

Lucas keek even weg.

"Misschien heb ik daar mijn redenen voor."

Zijn antwoord bezorgde haar kippenvel.


---

Later die nacht stopte de regen eindelijk.

Samen liepen ze terug naar het station.

Het perron was verlaten.

"Ik ben blij dat ik je heb ontmoet," zei Emma zacht.

Lucas keek haar aan.

Zijn ogen leken verdrietig.

"Ik ook."

Voor een moment bleef alles stil.

Toen boog hij zich naar haar toe.

Hun lippen raakten elkaar.

Kort.

Voorzichtig.

Maar genoeg om Emma's hart sneller te laten slaan.

Op datzelfde moment hoorde ze achter zich een stem.

"Emma!"

Ze draaide zich om.

Een oudere stationsmedewerker kwam haastig aangelopen.

"Mevrouw, met wie praat u?"

Emma wees naar Lucas.

Maar toen ze zich omdraaide...

Was hij verdwenen.

Gewoon weg.

Het perron was leeg.


---

"Die man," zei Emma verward. "Hij stond hier net."

De stationsmedewerker keek bleek weg.

"Hoe zag hij eruit?"

Emma beschreef hem.

De man verstijfde.

"Dat is onmogelijk."

"Waarom?"

Hij slikte.

"Twintig jaar geleden kwam hier een jonge man om het leven bij een treinongeluk."

Emma voelde haar maag samentrekken.

"Zijn naam was Lucas."


---

Die nacht sliep Emma nauwelijks.

Steeds opnieuw dacht ze aan zijn glimlach.

Zijn stem.

De kus.

De volgende ochtend keerde ze terug naar het station.

Ze wist niet waarom.

Misschien omdat ze antwoorden wilde.

Misschien omdat ze hoopte hem nog één keer te zien.

De regen begon opnieuw te vallen.

En daar...

Aan het einde van het perron...

Stond een donkere gestalte.

Met een warme glimlach.

Alsof hij al die tijd op haar had gewacht.

Wordt vervolgd...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten